Bovenkant van de pagina
Ga direct naar de navigatie
Ga direct naar de content

Onderzoek: AM-Annemarie de Wildt 8

Buurtwinkels in Slotermeer tussen 1953 en 2011

De buurtwinkels aan de Burgemeesters de Vlugtlaan hebben in hun ruim 50-jarige geschiedenis veel veranderingen ondergaan. De wijk Slotermeer is onderdeel van het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam (AUP) uit 1934. Reinout Klaarenbeek schreef er zijn masterscriptie over, die de basis werd van een tentoonstelling in het Van Eesterenmuseum.

Dit plan, geïnspireerd door de modernistische idealen van het Congres International d’Architecture Moderne (CIAM), markeerde een omslagpunt in de stedenbouwkundige geschiedenis van de stad. Verantwoordelijk voor het ontwerp was Cornelis van Eesteren, hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling van de Dienst Publieke Werken, en stuwende kracht binnen het CIAM. Uitgangspunt van het AUP was de ‘scheiding van functies’, waarbij verschillende gebruikszones – wonen, werken, recreëren- ruimtelijk van elkaar gescheiden waren.
Bij het maken van de plannen ging men uit van het geestelijke en fysieke welzijn van de toekomstige bewoners van Slotermeer : de gezinnen van de arbeiders van het Westelijk Havengebied. Van Eesteren streefde ernaar dat voor de gehele bevolking van de nieuwe wijken - man en vrouw, jong en oud - voorzieningen (zoals scholen en kerken, sportvoorzieningen en speeltuinen) op korte afstand van de woning zouden komen. De zogenaamde kinderwagenafstand, de berekende afstand die een moeder met zuigeling maximaal naar de groenvoorzieningen zou kunnen afleggen, is voor dit streven illustratief.

Levensbehoeften in de wijk
Uiteraard kregen ook winkelvoorzieningen een belangrijke plaats in het ontwerp van de nieuwe wijk. “Wegens den verderen afstand tot de stad”, zo is te lezen in het AUP, “is het waarschijnlijk dat men levensbehoeften, waarvoor men thans gewoonlijk naar de binnenstad trekt, in de wijk zal trachten te verkrijgen..” Maar hoeveel winkels waren nodig om te voorzien in de winkelbehoefte van de nieuwe bewoners van Slotermeer? Bij het beantwoorden van deze vraag werd gebruik gemaakt van norm van de Centrale Directie voor de Volkshuisvesting (een onderdeel van het toenmalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) en een zogenaamd ervaringscijfer. Men stelde vast dat er per 1.000 woningen 50 winkels nodig waren, wat een streeftotaal van 500 winkels opleverde. Dat is ruim drie keer zo veel als nu in Amsterdam (per 1.000 huishoudens zijn er 14 winkels). Toen deze berekeningen gemaakt werden was er nog geen sprake van schaalvergroting in de detailhandel en de komst van supermarkten. Door de beperkte mobiliteit en het ontbreken van moderne gemakken als een koelkast en later de magnetron, waren bewoners meer dan nu aangewezen op winkels in de directe nabijheid van de woningen.

Ruimtelijk systeem
Voor de ligging van de winkels werd een ruimtelijk systeem bedacht. Van noordoost naar zuidwest loopt door de wijk een netwerk van aaneengesloten winkelstraten: de Burgemeester De Vlugtlaan, de Slotermeerlaan, de Lodewijk van Deysselstraat en de Burgemeester Van Leeuwenlaan. In deze structuur is een drietal pleinen opgenomen: in de Burgemeester Fockstraat, centraal het Plein ‘40-‘45 en het Confuciusplein. In verder van de winkelstraten gelegen buurten waren afzonderlijke winkelblokken en losse winkels opgenomen.

Wel was er discussie over de vraag of de winkelstraten aan beide, of slechts aan één zijde, winkels moesten hebben. Een winkelstraat zoals de Kinkerstraat, met aan beide zijden winkels, werd als ideaal gezien. Maar de winkelstraten waren ook onderdeel van het Regionaal Wegenplan in het AUP dat gericht was op de ontsluiting van de binnenstad voor automobilisten. In de uitbreidingsplannen uit 1936 en 1939 lagen de winkels nog aan beide zijden. Maar in het uiteindelijk gerealiseerde plan uit 1952 werd ervoor gekozen om de winkelfunctie consequent aan één zijde van de straat onder te brengen. Er waren natuurlijk inmiddels ook meer auto’s gekomen.

Buurtwinkels als voorbeeld van de functionele stedenbouw
Met het oog op stedenbouwkundige variatie werden bouwblokken met een verschillende hoogte (laag- en middelhoogbouw) en verkavelingsrichting ontworpen. De winkelfunctie kon in drie soorten bouwblokken worden ondergebracht: de winkelstrook, het winkelblok en de op zichzelf staande winkel. In winkelstraten werd gebruik gemaakt van de winkelstrook: een langgerekte strook laagbouw, met winkels op de begane grond en woningen op de bovenliggende etage. De verkavelingsrichting is tegengesteld aan die van de omliggende bebouwing waardoor het mogelijk werd om een oost-west lopende winkelstraat te maken, zonder dat de bezonning van de achterliggende woningen in gevaar kwam. Het winkelblok is het meest voorkomende type en betreft een portiek- of galerijflat in middelhoogbouw (3-4 verdiepingen), met op de begane grond winkelruimten. De stand-alone winkel vormde onderdeel van de buurten met laagbouw, waarbij de winkel was gevestigd op de hoek of op de kop van een haken- of strookverkaveling.

De manier waarop de winkels ontworpen werden is een mooi voorbeeld van de scheiding van functies in het AUP. De leveranciersingang en de ingang van de woning kwamen aan de achterzijde van het blok. Aan de voorzijde ontstond op deze wijze een ruimtelijk gescheiden zone, speciaal voor de winkelfunctie. De winkelzone bestond in zijn geheel uit een brede stoep met bomen, waaraan de etalages van de winkels grensden. Dit onderscheid in gebruikzones komt ook terug in de indeling van de winkels: aan de voorzijde bevond zich het publieke winkelgedeelte en aan de achterzijde lagen private, winkelgerelateerde vertrekken, zoals een opslagruimte (een ‘berging’ of een ‘magazijn’), een kantoorruimte, een toilet en eventueel een ‘dagverblijf’.

De architectuur van de buurtwinkels is, net als die van de overige bebouwing van Slotermeer, sober en over het algemeen zonder ornamenten. Dat had te maken met het gebruik van nieuwe bouwmaterialen en de snelheid waarmee gebouwd moest worden, maar de soberheid was ook een esthetische keuze. De architectuur van de gevel van de buurtwinkel moest de voorbijganger uitnodigen om naar binnen te treden. Daarom werd getracht een ‘zachte overgang’ tussen buiten (de winkelzone) en binnen te creëren. Etalages met grote glasvlakken, die een visuele verbinding tussen buiten en binnen legden, vormden hierin een onmisbaar onderdeel. Daarnaast werd voor de gevel van het winkelblok in plaats van een ‘harde’ rechte rooilijn naar meer afwisseling gezocht. Dit werd gedaan door de ingangen van de winkels naar achteren te plaatsen – zodat er een portiekje ontstond – en door uitsparingen aan de boven- en de onderzijde van de etalage aan te brengen.

De ‘biografie’ van de Burgemeester De Vlugtlaan
Lopend door de Burgemeester De Vlugtlaan, de hoofdstraat in het winkelsysteem van Slotermeer, valt op dat anno 2011 alle winkels langs de brede straat (op een enkele uitzondering na) in gebruik zijn. Dat is zeker niet zo in andere delen van de wijk: wie doorloopt langs de winkelstraten, bereikt uiteindelijk het Confuciusplein met een beduidend ander beeld. Het is moeilijk in te denken dat dit plein ooit ontworpen is als levendig en aantrekkelijk plein van de buurt: hier kan een hele winkelstrook bestaan uit het kantoor van een rijschool en verder leegstand.

Op grond van archiefonderzoek, foto’s en gesprekken valt een biografie van de winkelstrook Burgemeester De Vlugtlaan 150 – 188 te construeren. Winkels in de alledaagse levensbehoeften komen het meeste voor in de beginperiode (7/20). De meeste winkeliers waren zoals ook blijkt uit de namen op de ramen (bijvoorbeeld: Van Dijk, Nijhuis) zelfstandige ondernemers, of vormden een filiaal van een succesvol Amsterdams bedrijf, meestal uit Amsterdam West. Een enkele winkel behoorde tot een landelijke keten zoals Meyes en Höweler of Simon de Wit. Tot ongeveer 1965 bleef het winkelbestand ongewijzigd. In de daaropvolgende periode, tussen 1965 en 1975, kreeg ongeveer de helft van de winkels een nieuwe eigenaar. Een deel van de nieuwe winkeleigenaren bleef in dezelfde branche als hun voorganger: sigarenwinkel op nr. 178 Hesseling is Van Asperen geworden en op nr. 158 is Gebroeders de Winter confectie vervangen door Hansh Herenmode. Ook kwam er een aantal ‘nieuwe branches’ op, zoals een dierenwinkel, een muziekwinkel Freriks en een breiartikelenwinkel 3 Suisses. Het aandeel in de winkels in de alledaagse levensbehoeften nam af (3/20). Tussen 1975 en 2000 kwam een steeds groter deel van de winkels in handen van nog bekende of inmiddels verdwenen nationaal opererende winkelketens, zoals speelgoedwinkel Bart Smit, juwelier Strego en parfumerie Rustique. Rond 2000 begint de opmars van allochtone ondernemers, die heden de helft van de winkelpanden uitbaten. Het betreft overwegend zelfstandige ondernemers, zoals reisbureau Yilderim, kapper Hakan Haarmode en Bakkerij Turkiyem.

Van Schoenmaker Van Dijk naar Helal et Gida
De eerste winkeliers werden door de bewoners van het nieuwe Tuindorp met open armen ontvangen. Niet langer hoefden ze de lange (fiets)tocht naar de stad te ondernemen voor de dagelijkse boodschappen. De winkelstrook vormde een knooppunt in de wijk waar het sociale leven vorm kreeg. De nieuwe bewoners zagen het als een voorrecht om in Tuinstad Slotermeer te mogen wonen; een voorrecht dat ook een zekere band schiep, het zogenaamde Tuinstadgevoel. Veel winkeliersgezinnen woonden boven of vlakbij hun winkel. Er werd zelfs getrouwd vanuit de winkel. Door schaalvergroting, toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen en het verdwijnen van de winkels in dagelijkse levensbehoeften werd het steeds minder levendig op de Burgemeester De Vlugtlaan. Met de bouw van Winkelcentrum ’40-’45 in 2000, aan de overzijde van de winkelstrook, werd de winkelstrook minder belangrijk. Ook de ontmoetingsfunctie verplaatste zich voor een deel naar de overzijde, bijvoorbeeld naar het restaurant van de HEMA. De opkomst van het allochtone ondernemerschap vanaf 2000 heeft er echter toe geleid dat de winkels een doorstart konden maken.

Voor veel (oudere) autochtone bewoners staat de opkomst van de migranten ondernemers symbool voor de algehele achteruitgang van de wijk; hun oude vertrouwde leefomgeving verdwijnt als gevolg van de gewijzigde bevolkingssamenstelling. Voor de allochtone bevolking vormen de winkels echter nieuwe knooppunten, zoals bruidsmodezaak Beyaz Gelincik of electronica winkel Supersat. Het gemengde karakter van de wijk komt naar voren in de presentatie en het assortiment van de winkels: de Turkse bakker Turkiyem adverteert met het Nederlandse ‘uw warme bakker’ en keurslagerij Peter van Poorten heeft halal kip in de grill.

Het gebruik van de winkels
Het gebruik van de winkels en de omliggende ruimte – de winkelzone en de achterstraat – is in de loop van de tijd gewijzigd. In 1953 pronkten op de ramen van de etalages trots de namen van de eerste winkeliers, zoals Hesseling, sigarenmagazijn, of Meilof Eiben, boekhandel. De wijkagent zag erop toe dat er geen goederen buiten gestald werden en dat de reclame binnen de perken bleef. In de jaren ’70 vonden – ondanks een negatief advies van architect ir. Knijtijzer – de eerste verbouwingen aan de winkels plaats, waarbij de voorgevel met etalage werd aangepast om binnen meer ruimte te krijgen. Niet alle winkeliers wilden investeren; een deel van de oorspronkelijke etalages is nog intact. Ook de ‘open plaats’ aan de achterzijde van de winkel werd veelal bebouwd ten behoeve van uitbreiding van de winkel. In de jaren ’90 werd de winkelstrook voorzien van een vaste doorgetrokken luifel en werden parkeerplaatsen langs de stoep gerealiseerd. Vanaf dat moment kwam de naam van de winkel met een lichtbord op deze luifel te staan. De laatste vijftien jaar is het onderscheid tussen de etalage en de openbare ruimte voor de winkel vervaagd: de winkelzone is steeds meer een verlengstuk van de winkelruimte door de uitstalling van koopwaar op de stoep. De afgelopen tien jaar is een deel van de voorgevels en plattegronden in de winkelstrook als gevolg van de vele eigendomswisselingen opnieuw verbouwd.

Het onverwachte gelijk van Van Eesteren
Buurtwinkels zijn de materiële getuigenis van het stedenbouwkundig ideaal om een grote woonwijk te ontwerpen waarin aan alle behoeften van de bewoners tegemoet werd gekomen. Er werd een ‘rationeel’ ruimtelijk systeem met winkel en buurtstraten ontworpen, waarin gestreefd werd de winkels zo dicht mogelijk bij iedere woning te brengen.
De winkels zijn onderdeel van een uitgekiende stedenbouwkundige structuur en de kenmerkende ‘scheiding van functies’ is ook op de winkelruimten zelf toegepast, waardoor aan de voorzijde van de winkels een winkelzone ontstond die fungeerde als sociaal knooppunt. De stedenbouwkundige structuur van de buurtwinkels is in Slotermeer nog gaaf te noemen; (maar) de architectuur ervan is op veel plaatsen aangetast.

In Richting Parkstad 2015 wordt ten aanzien van het winkelbestand gesteld dat de winkelstructuur in de Westelijke Tuinsteden ‘gedateerd is, omdat ze in een andere tijd is ontworpen’. Zeker is dat de bewoners die Van Eesteren bij het ontwerp voor ogen had niet meer bestaan: simpel gezegd is menige Piet ingeruild voor Mohammed, heeft de auto de fiets vervangen en is Albert Heijn in de wijk aanwezig. Richting Parkstad streeft naar een verdere centralisatie van winkelvoorzieningen op stadsdeelniveau (winkelcentrum Osdorp moet het ‘kloppend hart’ worden van de Westelijke Tuinsteden, waar naast winkels ook veel vrijetijds voorzieningen zoals een bioscoop, sportaccommodaties etc. zijn gepland) en meer dure winkels. Waar Richting Parkstad 2015 aan voorbij gaat, is dat – met name aan de hoofdwinkelstraten – de winkelruimten net zo intensief gebruikt worden als in de tijd van hun ontstaan. De allochtone ondernemers, die hier gevestigd zijn, vertonen een treffende overeenkomst met de eerste winkeliers: ze zijn zelfstandig ondernemer, hebben belang bij een lage huur en verkopen veelal dagelijkse levensmiddelen. De ouderen en allochtone vrouwen in de wijk zijn gebaat bij winkelvoorzieningen in de buurt. Een nieuwe winkel zal al gauw een te hoge huurprijs hebben voor de allochtone uitbaters. Ook de ontmoetingsfunctie die Van Eesteren beoogde, is nog steeds actueel. Met deze ‘hernieuwbare stad’ heeft Van Eesteren zijn onverwachte gelijk gekregen.

De tentoonstelling in het Van Eesterenmuseum is gebaseerd op de master scriptie Het onverwachte gelijk van Van Eesteren van Reinout Klaarenbeek (Erfgoed van Stad en Land Vrije Universiteit 2010)

Dit artikel is een bewerking van een artikel van Reinout Klaarenbeek, dat verscheen in het nummer van maart 2011 van Amstelodamum. Daar vindt u ook de noten en literatuurverwijzingen.

Reacties